Zoals de zevende dag in het verhaal van de Zeven Scheppingsdagen wordt gezien als de dag van de voltooiing waarop de Schepper zelf rustte, zo mag ieder mensenleven eindigen in de rust die God geeft. Een mensenleven, lang of soms heel kort, is in zichzelf een eenheid. In alle kwetsbaarheid Godgegeven, maar ook toevertrouwd aan Gods eeuwige barmhartigheid. Dat maakt niet dat er geen verdriet is, of gemis. Dat brengt ons wel allemaal terug bij de kern van ons bestaan.

Wat hadden we juist deze zondag graag samen in de kerk gevierd, met families, vrienden, gasten en gemeenteleden. Nu zullen het niet meer dan dertig, meest familieleden, zijn, die zullen beleven dat de diaken de kaars aansteekt bij het gedenken van hun dierbare. Vanwege de bijzondere omstandigheden zullen we anders, dan we gewend zijn daarom de Maaltijd van de Heer deze keer niet vieren.

Maar het levende lichaam van Christus is niet aan plaats gebonden. Er is steeds in deze tijd een groot bewustzijn dat slechts een deel van de kerkgangers fysiek aanwezig is in de kerkzaal. We voelen ons intens verbonden, waar wij ons ook bevinden, in Christus en met elkaar. Laat wie het gedenken deze zondag thuis graag wil meevieren, zich vrij voelen zelf bij bepaalde namen ook een of, als u wilt, meer kaarsen aan te steken. Bij de laatste kaars die in de kerk wordt ontstoken, wordt zoals ieder jaar, geen naam in het bijzonder uitgesproken. Ieder wordt uitgenodigd bij dat licht die geliefde mens of mensen in gedachten te nemen die aan hem of haar ontvallen zijn, maar veilig in Gods hand.